Home

July 2007

S M T W T F S
1234567
891011121314
15161718192021
22232425262728
293031    

Advertisement

Syndicate

RSS Atom
Powered by LiveJournal.com

Previous 20

Jul. 7th, 2007

Nog eens, poëzie

Er bestaat een opvatting over poëzie die zegt dat er een soort van rijmsmeedkunst bestaat en dat een van de belangrijkste kwaliteiten van een dichter het beheersen van die kunst is. Het is de kunst van wegwijs zijn in de manieren om aan woorden en zinnen zo te schaven dat er welgevormde verzen ontstaan met metrum en rijm.
Ik ben nu tot de conclusie gekomen dat het schijn is dat een dergelijke kunst iets met poëzie te maken heeft. Het beste is misschien dat ik eerst schets wat het zou willen zeggen als poëzie effectief niets te maken zou hebben met rijmsmeedkunst: niet in werkelijkheid en niet in de meningen van de mensen. Dan zou er geen poëzie zijn die op een of andere kunstmatige manier tot rijm of metrum gebracht was. Zou er dan ook geen poëzie zijn met rijm of metrum? Men kan geloven van wel of men kan geloven van niet. Hoe kan men geloven van wel? Door te geloven dat rijm en metrum ergens anders vandaan komen dan uit het knutselen van de dichter. Waar stel ik mij voor dat het dan wel vandaan zou komen (het zou in theorie ook van ergens anders kunnen kmen)? Van de geest van de taal, en van de andere geestelijke wezens. De dichter is dan iemand die niet knutselt maar spreekt, en wanneer hij gesproken heeft, kan het zijn dat hij merkt dat hij gesproken heeft in welgevormde verzen. Hij kan niet oefenen in het bijschaven van woorden, dat wil zeggen hij kan geen vaardigheid verwerven langs uiterlijke weg. Hij kan het wel langs innerlijke weg, namelijk door zelf te veranderen, door met veel oefening iemand te worden die juist niet zelf wil spreken, maar die eerbiedig het voorwerp zelf (waarover hij wil spreken) zijn woorden laat dicteren. Een voorwerp, daarmee bedoel ik een ding, geen materieel ding: het kan ook een gevoel zijn of een ander onzichtbaar ding.
Daarmee heb ik twee uitersten geschetst. Het eerste: poëzie is schaven aan woorden. Het tweede: poëzie is zo zuiver mogelijk uitspreken hoe de dingen in u zichzelf voelen. Ik heb ook geschetst hoe in beide gevallen rijm en metrum kunnen ontstaan, in het ene geval als dwang van de dichter, in het andere als geschenk aan de dichter. Het feit dat een gedicht rijmt wil dus niet zeggen dat het op de ene of de andere manier ontstaan is. Dat kan men uit de uiterlijkheden van het gedicht niet afleiden.
Nu kan ik ook zeggen zonder angst verkeerd begrepen te worden, dat ik geloof dat de tweede manier overeenkomt met het wezen van de poëzie, en de eerste overeenkomt met een schijnbeeld van de poëzie. Mijn gedicht waarover ik schreef op 19 februari is dus schijnpoëzie, behalve de tweede strofe die een klein beetje echte poëzie heeft. (Zoals ik toen ook al schreef, is het maar de vraag of er ooit iemand een gedicht heeft geschreven dat niet het kleinste vonkje van echte poëzie heeft.)
Nu een andere gedachte.
Als dichtkunst is wat ik net beschreven heb, is het een dubbele schijn dat dichters zouden dichten omdat ze erkenning verlangen. Opdat hij waarlijk zou kunnen dichten, moet de dichter imers alles afzweren waardoor hij het gedicht een product van zijn verdienste zou kunnen noemen. Van zijn toewijding, of van zijn innerlijke ontwikkeling, dat zou iets anders zijn, maar dat zijn geen dingen waarvoor men erkenning verlangt. (Erkenning is ook zoveel makkelijker te verkrijgen dan wat men zou moeten verwerven om een dichter te worden.) Omdat de dichter alles afzweert waardoor hij het gedicht zijn verdienste noemt, kan hij er geen erkenning voor willen. Hij kan alleen erkenning willen voor datgene dat het gedicht een goed gedicht heeft gemaakt. Maar dat heeft zich alleen in hem uitgesproken. Dat komt niet van hem.
Tags:

Jul. 4th, 2007

Thomas en no harm principle

Op het examen van Steel lukte het me niet de volgende zeer simpele gedachte uit te leggen. Hier moet het wel lukken.
Bij Thomas is er niet zo iets als een no harm principle.
Dat wil zeggen, bij Thomas is er wel zo iets als een no harm principle, maar alleen aan de oppervlakte vertoont dat overeenkomsten met wat het no harm principle tegenwoordig betekent. En juist die verschillen tussen oppervlakte en dieperliggend wezenlijke, en tussen Thomas en de tegenwoordige populaire filosofie kunnen denk ik treffend geïllustreerd worden aan de hand van het no harm principle.
Wat is het bij Thomas? Thomas spreekt zich er niet over uit of er handelingen zijn die een ander niet schaden. Hij heeft het over de gevolgen van handelingen op de omgeving heel in het algemeen. Vervolgens maakt hij een onderscheid tussen handelingen die duidelijk schade aan de anderen toebrengen, zoals bijvoorbeeld diefstal. Maar het is een onderscheid dat alleen van betekenis is voor de praktische filosofie, en het is geen duidelijk afgebakend onderscheid, in de zin dat het niet sluitend te maken is door met een paar termen als pijn, eigendom, … te zwieren.
Verschillen met no harm principle:
-bij Thomas is er geen sprake van een principe
-bij Thomas wordt er niet geclaimd dat het mogelijk is een handeling uit te voeren die een ander niet schaadt (die handeling kan ook bestaan in het loutere op de aarde zijn)
-bij Thomas heeft de mens ook geen bijzondere positie als torenhoog boven de rest van de natuur verheven.
-kortom, over een heel aantal problematische kwesties wordt bij Thomas geen uitspraak gedaan.
-en toch belet dat niet dat er nog aan moraalfilosofie gedaan kan worden
Tags:

Jul. 3rd, 2007

Wetenschap

Ik denk dat ik een manier heb gevonden om uit te leggen in welke zin ik in de zwaartekracht geloof. Verbazend moeilijk blijkt dat altijd te zijn, terwijl de onderliggende gedachte eigenlijk heel simpel is. De manier die me nu te binnen geschoten is heeft ook grote nadelen (het is eigenlijk, als ik een geïmproviseerde uitdrukking mag gebruiken, een ‘scheef’ voorbeeld: een ‘recht’ voorbeeld heeft geen overbodige ballast), maar het is beter dan niks.
Vergelijk (1) “Meer mensen houden van de Beatles dan van de Stones” met (2) “Aan x mensen werd vraag y (‘Houdt u eerder van de Beatles of eerder van de Stones’) gesteld. Daarop waren antwoorden uit lijst z mogelijk. De x mensen waren op manier u samengesteld. Het antwoord dat het meest gegeven werd was v, door w% van de mensen.”
(1) en (2) zijn beide uitspraken die feiten weergeven. Laat ik dat maar zeggen om elk vermoeden dat ik niet van een neutrale discussiebasis uitga op voorhand weg te nemen. Maar ze zijn niet op dezelfde manier uitspraken van feiten. Ik persoonlijk vind dat (2) op een zuiverdere manier zich beperkt tot alleen maar dat uitspreken wat tot het feitelijke behoort. … en als ik A zeg moet ik natuurlijk ook B zeggen. Zodus, dit is B: ik vind dat in (1) meer gezegd wordt dan gezegd kan worden als men zich wil beperken tot het uitspreken van wat feitelijk is. (2) daarentegen zwijgt op dat punt. Dat is alles.
In de praktijk zal (1) waarschijnlijk makkelijker hanteerbaar zijn dan (2), in het grootste deel van de gevallen. Bovendien kan van (1) een even hanteerbare versie gesmeed worden: (1’) “Statistisch houden meer mensen van de Beatles dan van de Stones”, waarbij het woord ‘statistisch’ aanduidt dat men zich bewust is van het probleem.
Maar terwijl het interessant kan zijn om zo hanteerbaar mogelijke uitspraken te bezitten, kan het in bepaalde gevallen even interessant of interessanter zijn om zo correct mogelijke uitspraken te bezitten. In de laatste situatie maakt het niet uit dat men zich bewust is van het probleem, daar het problematische indien mogelijk geëlimineerd dient te worden. Daarbij zij opgemerkt dat het uiteenvallen van correct en hanteerbaar een afwijking van de norm is voor beide kampen. De norm moet zijn dat ze samenvallen. Het model moet een uitspraak zijn als (3) “We hebben alle levende Belgen ondervraagd, en er zijn er meer die van de Beatles houden.” Hoe dan ook, ik ben iemand die geïnteresseerd is in de feitelijkheid, en bijgevolg bevind ik me bijna altijd in de situatie dat ik juistheid belangrijker vind dan hanteerbaarheid.
Men ziet hoe lastig het is om over een zo simpel gegeven beknopt te spreken. Ik dacht nog wel dat het gegeven voorbeeld van de statistiek eenvoudig uit te leggen zou zijn! Ook al is het me dan niet gelukt het beknopt uiteen te zetten, toch is het nog steeds bedoeld als illustratie voor het andere probleem van de juistheid van natuurwetten, een probleem dat met nog heel wat meer bronnen van vertroebeling verbonden is.
Laat ik een eenvoudig voorbeeld nemen, de zwaartekracht. Velen denken dat er maar twee manieren zijn om daarover te denken. Ofwel men ziet in dat de theorie van de zwaartekracht onmiddellijk evident is, ofwel men houdt vast aan het feit dat de overgang tussen observeerbare gegevens en conclusie uiteindelijk niet volledig sluitend is en men is een vervelende scepticus die waarschijnlijk zichzelf niet eens serieus neemt. Volgens mij is er nog een verdere manier om over de zwaartekracht te denken. Dat is de manier die zich verhoudt tot de positie dat de theorie van de zwaartekracht onmiddellijk evident is, zoals in het voorbeeld van de statistiek (2) zich tot (1) verhield. Deze manier om over de zwaartekracht na te denken heeft verdedigers, dat weet ik wel. Maar met hun wordt niet zoveel rekening gehouden als met de verdedigers van (2), misschien omdat de zaken in het voorbeeld van de statistiek duidelijker liggen. Als dat zo is, dan is deze manier om de zaak uit te leggen toch een beetje zinnig.
Ik denk over de andere wetenschappelijke theorieën hetzelfde als over de theorie van de zwaartekracht: men kan alle geobserveerde feiten toegeven en toch niet in (bijvoorbeeld) het bestaan van atomen geloven. “Men kan alle geobserveerde feiten toegeven” – zie eens hoe triviaal dat klinkt! En toch ontmoet men telkens weer de gevolgtrekking dat iedereen die zwaartekracht niet onmiddellijk evident vindt iemand is die niet op de hoogte is van bepaalde geobserveerde feiten, of die feiten loochent, of natuurlijk een vervelende scepticus is.

Thomas

Thomas, in de Summa, vraagstelling 91, artikel 5, ik parafraseer: het goede waarop de oude wet gericht was (dat is de wet van het oude testament) was een zinnelijk en aards goed. De nieuwe wet is gericht op een bovenzinnelijk en hemels goed.
Welja, het is geen goed citaat want ik had er waarschijnlijk een veel beter kunnen vinden. Maar het is naar aanleiding van dit citaat dat een kleine verzuchting opwelde: wat een wanverhouding tussen enerzijds de zelfgenoegzame manier waarop wij tegenwoordig geneigd zijn te denken: “o ja, in de tijd van Thomas waren de mensen al verheven boven het louter aardse, en nu zijn we nog zoveel verder geëvolueerd”, en anderzijds het minder opvallende feit dat we in het huidige ontwikkelde westen misschien zo eenzijdig op het zinnelijke gericht zijn als nooit voorheen. Ik bedoel ongeveer het procent van de dag dat de gemiddelde mens bezig is met dingen die uiteindelijk gericht zijn op het zinnelijke. Het is geen duidelijk afgebakende gedachte. Maar het komt op dat punt ook niet aan. Laat het in het midden of we vandaag zo zeer op het zinnelijke gericht zijn. Wat me opviel naar aanleiding van het citaat was het overweldigende karakter van de wanverhouding tussen hoe we denken dat het is en hoe het eigenlijk is. Dat is wat zo overweldigend is dat het misschien gerechtvaardigd is te zeggen dat ze nog nooit eerder zo groot geweest is.

Jun. 17th, 2007

zeer random

Aha, ik heb een manier gevonden om mij te kunnen inleven in het standpunt van de mensen die vinden dat het geen zin heeft te vragen naar wat er na de dood is. Dit standpunt wordt plausibel als ik het vergelijk met mijn eigen standpunt over of er een vierde dimensie is.
Interessante vraag: blijkbaar is er dus voor mij een belangrijk verschil tussen de vraag of er iets na de dood is, en de vraag of er een vierde dimensie is. Welaan dan, waarin schuilt het?
(Als ik een ruimtelijk lichaam zou zijn en geen mens, zou de tweede vraag mij misschien meer aangaan... Nee, ik denk dat dat niet de kern van de zaak raakt.)
Tags:

Jun. 12th, 2007

Analytische filosofie

Ge hoeft maar een paar bladzijden te lezen in Contemporary Debates in Epistemology, of ge komt een debat tegen waarin de ene persoon contextualisme verdedigt om een oplossing te kunnen bieden voor de problemen die het scepticisme stelt, en waarin dan de andere drie argumenten geeft tegen het contextualisme, te weten een eerste en derde argument die zakelijk zijn en een tweede argument dat gewoon zegt: contextualisme neemt het scepticisme te serieus.

Representatieve democratie, een stabiele positie?

Uit de cursus sociale wijsbegeerte zijn mij twee argumenten tegen directe democratie bijgebleven: dat van Locke, en Rummens’ argument van het populisme (dat in de tekst van Van de Putte alleen minder uitgesproken is). Locke heeft het erover dat het volk representanten kiest, en dat die representanten als hun taak hebben het land te besturen, in tegenstelling tot het volk. Zij zijn ervoor aangesteld, zij hebben er tijd voor alles tegen elkaar af te wegen omdat dat hun taak is, dus hebben zij het recht van spreken. En aangezien zij kiezers representeren, kan men spreken van democratie.
Rummens en Van de Putte vrezen populisme, vervlakking van de belangrijke discussies tot een kwestie van wie de beste slogan heeft en die het hardst kan roepen.
Mijn vraag is of deze argumenten nog vol te houden zijn wanneer men de verkiezingen van afgelopen zondag heeft meegemaakt. (Locke kon dat niet zien aankomen want die leefde drie eeuwen geleden. Hem is niks aan te wrijven.)
Een in het oog springend fenomeen was voor mij althans dat iedereen, dus zowel de politiekers als de journalisten, het had over de manier waarop er campagne was gevoerd als een bepalende factor voor de verkiezingsuitslag. Hier zijn het dus niet willekeurige belangengroepen die aan populisme doen. Wel wordt uitdrukkelijk toegegeven dat het de taak van de politiekers zelf is om aan populisme te doen. De vraag is of het dan nog zoveel uitmaakt wie hier de zogenaamde massa manipuleert.
Zolang men dit niet toegeeft zou men nog kunnen vededigen dat de politiekers feitelijk de specialisten zijn, die het recht krijgen zich aan het bestuur te wijden, omdat zij door het volk (doormiddel van de stemming) aangewezen worden als de meest zakelijke specialisten. Toegeven dat alles afhangt van het voeren van een aantrekkelijke campagne staat gelijk aan het ontkennen dat zakelijkheid een factor van belang is.
Dan moet het systeem van de representatieve democratie dus vanuit een andere kant gelegitimeerd worden. Men zou moeten verdedigen dat de politiekers (uitzonderingen daargelaten) de zakelijke specialisten zijn, simpelweg zijn. En vervolgens zou men het campagnevoeren moeten beschouwen als een noodzakelijk kwaad, dat zijn noodzaak heeft gekregen door het feit dat de zogenaamde massa (uitzonderingen daargelaten) nu eenmaal te dom is om iets anders dan slogans te verstaan.
Dan heeft men twee opties. De eerste is dat men politiekers ziet als niet zo verschillend van gewone mensen. Het schijnt mij echter toe dat men in dat geval aan de bedenking blootstaat dat de zetelende politiekers even gemakkelijk kunnen gemanipuleerd worden door belangengroepen als het volk. De andere optie is dat men politiekers ziet als mensen die beter geschikt zijn voor de politiek dan het volk geschikt is voor de politiek. Maar in dat geval is het zinloos om het gebouw van de representatieve democratie nog overeind te willen houden. Waarom zoveel tijd en energie aan campagnes besteden als dit gebouw uiteindelijk toch een luchtkasteel is? Het zou beter zijn de macht onmiddellijk aan de beteren te geven.
Conclusie: ik heb het moeilijk om representatieve democratie als een stabiele positie te zien, omdat ze lijkt te verglijden naar ofwel een systeem dat duidelijk vervangen zou moeten worden door een systeem van directe democratie, ofwel naar een systeem dat duidelijk vervangen zou moeten worden door iets wat geen democratie meer is. Of het zou natuurlijk moeten zijn dat het gepraat over hoe de campagne bepalend was voor de uitslag allemaal maar om te lachen was.

Feb. 26th, 2007

Vragen in de filosofie

"De filosofie is er niet om antwoorden te geven, maar om telkens nieuwe vragen te stellen." Iets dergelijks hoor ik nogal vaak zeggen. Maar je kan dat wel op twee verschillende manieren opvatten. Met de klemtoon op het geen antwoorden kunnen geven betekent het voor zover ik kan overzien dat filosofie er ook niet naar moet streven antwoorden te geven (maar wellicht ook dat filosofie ookal levert ze geen antwoorden toch kan bedreven worden om een andere reden dan het zoeken naar antwoorden). Ik hou meer van de andere opvatting, die een beetje geïnspireerd is door Schelling. Als een waarlijk antwoord veronderstelt dat ver uit elkaar liggende zaken bijeengehouden worden, dan is het moeilijk een antwoord te geven dat meteen ook helder inzichtelijk is. En zo zal een groots antwoord vaak aanleiding geven heel wat zaken in een nieuw licht te bekijken. Antwoorden die nog nooit gegeven zijn (dus antwoorden op moeilijke vragen) moeten toch ook "geboren" worden, en daartoe moeten er toch bepaalde voorwaarden aanwezig zijn, lijkt dat niet voor de hand liggend? Moeten die voorwaarden verder niet in de eerste plaats inhouden dat er mensen zijn die door aanleg of oefening op nieuwe manieren naar de wereld kunnen kijken? Welnu, dan moet men toch niet verwachten dat als iemand het al tot daar gebracht heeft dat hij een nieuwe zinvolle manier heeft gevonden om naar de wereld te kijken, een manier die hem beter bevredigt dan de bestaande manieren- dat dan alles van de eerste keer in alle omvattendheid opgelost zal zijn. Er zal veel gezegd kunnen worden, maar niet alles. Een antwoord op een moeilijke vraag is veeleer iets levends dan bijvoorbeeld iets dat lijkt op wat een computer zou kunnen voortbrengen. Het heeft een groeiproces nodig.

Feb. 20th, 2007

BB 7. Houding ten opzichte van studeren

Eens een paar pieken van de immer evoluerende attitudecurve opsommen.

Tijdens het naar huis wandelen van mijn eerste examen, dat elf dagen voor de andere drie plaatsvond liep ik even over van goede moed en werklust. Ik zag het helemaal zitten acht à tien uur per dag te studeren te beginnen vanaf de volgende dag. Maar ik wist ook toen al dat ik in de war was door 1) de korte nachtrust; en 2) het opnieuw kennismaken met de examensfeer. In de war omdat ik geen rekening hield met 1) het feit dat ik al een paar uur later een geweldige klop zou krijgen (studeren en zo verschrikkelijk moe zijn gaan niet samen); en 2) het feit dat ik een volledige concentratie op de examens, geïsoleerd van al de rest, als het ware cadeau had gekregen door de hele situatie van weinig slaap en examensfeer. Diezelfde concentratie kunstmatig oproepen zou een heel ander paar mouwen zijn.
Natuurlijk, wat ik meeneem is het beeld van de mogelijkheid zo gedisciplineerd te studeren, dat me tijdens het terugwandelen hoe dan ook scherp voor de geest stond.
(Nvdr: en het is niet dat er geen dagen geweest zijn dat ik acht of tien uur gewerkt heb.)

Op een bepaald moment tegen het einde van de examens aan was ik mij aan het voorstellen dat ik in het komende semester misschien lange periodes van nietsdoen zou meemaken. Ik vond het een schande. Ik vond dat het gold dat daar maatregelen tegen genomen moesten worden. En ik stelde mij voor: in ieder geval moet ik toch op elke afzonderlijke dag van het komende semester achteraf kunnen terugkijken en zien dat het goed was. Dat vond ik op dat moment helemaal vanzelfsprekend, dat een dag weggegooid is als je niet een ding, hoe klein ook, hebt gedaan dat die dag de moeite waard maakt. En ik dacht verder: het enige dat in kan komen te staan tussen dit moment waarop ik dat zo inzie en het naleven van dat inzicht, is een of andere sleur die teveel op de voorgrond komt en maakt dat ik blind word voor wat eigenlijk belangrijk is. Dus het geldt daar voorzorgsmaatregelen tegen te treffen. Ik zou eigenlijk in de lesvrije week een soort van agenda moeten maken voor het komende semester. Ik zou voor elke dag van februari tot mei een kleine tekening moeten maken of zo, in een schriftje of op losse bladeren die ik dan zou inbinden. Die tekeningen zouden me dan moeten aansporen om zo te leven dat ik aan het einde van elke dag iets naast die tekening kan schrijven over mijn dag, maar iets dat naast die tekening kan staan, iets dat de moeite is.
Dat was gerekend buiten het feit dat ik niet zomaar op een paar namiddagen meer dan honderd tekeningen kan maken. Maar ik denk dat dit idee niet helemaal nutteloos is. In een of andere meer gebalanceerde vorm moet het in tegendeel bruikbaar zijn.

Iets wat ik tijdens de examens niet kon voorzien, waarvan ik mij alleen kon afvragen hoe het zou optreden, is de weerstand tegen het studeren in zijn verschillende manifestaties. Het bleek dat hij in de volgende vorm optrad: wanneer ik mij aan de voornemens wou zetten die ik in de blok en de examens gemaakt had, en dat niet zo gemakkelijk ging, kwam de neiging op tegen mijzelf te zeggen: "Wat ge nu probeert, Sim, is iets te forceren. Ge hebt niet genoeg geduld. Ge zoudt beter al die zorgen van u afzetten en proberen een frisheid te herwinnen waarmee ge dan die dingen kunt aanvatten." Ik denk dat daar eventueel waarheid in kan zitten, maar voorlopig ga ik ervan uit dat het dan een pak genuanceerder zal zijn.

Feb. 19th, 2007

BB 6. Poëzie

Het volgende is nu niet iets dat andere mensen interessant zouden vinden denk ik, maar het is toch een van die dingen waar ik mee rondloop. Plannen. Plannen voor het schrijven van dingen die schrijvers schrijven.
Zowat een half jaar geleden had ik plots een idee. Ik dacht: een boek waarin de hoofdpersoon een dagboek bijhoudt van alleen die dingen die nieuw zijn, dat bestaat bij mijn weten niet, maar ik zou zo een boek wel graag lezen. Zou het niet mogelijk zijn het zelf te schrijven? Wat ik bedoel met de dingen die nieuw zijn: ik stelde het mij zo voor dat de hoofdpersoon aan het begin van het boek tegen zichzelf zou zeggen (tamelijk autobiografisch), komaan, we beginnen aan een soort van therapeutisch dagboek. Daarin schrijf je dan wat je vandaag ervaren hebt dat voorheen nog niet bestond. De huizen, de mensen, de bomen, bestonden al. Maar de gevoelens die je daarbij gehad hebt waren misschien nieuw, misschien was het de eerste keer dat je dat specifieke gevoel van schoonheid hebt ervaren terwijl je de zonsondergang zag waar je hem al honderd keer hebt gezien. Misschien was het nog nooit iemand opgevallen dat wanneer persoon a en persoon b in dezelfde kamer zijn, persoon a mooier praat dan anders, en ben jij de eerste. In de dingen die er al waren zijn we toch niet geïnteresserd, het is tijd dat we de ogen openen voor de nieuwe dingen die overal te ontdekken zijn, of anders gezegd, te produceren zijn.
Zo zat dat in mijn hoofd, als een soort plan voor een roman. En toch was ik daar helemaal niet blij mee. Er leek vanalles niet aan te kloppen. Inderdaad is er zeker één ding dat er niet aan klopte. Dat zag ik duidelijk in toen, nu een maand of twee geleden, tante Tien een gedichtje terugvond dat ik eens geschreven had, en dat ik dan volledig kwijtgeraakt was. Het gedichtje had geen titel.

Het is een dag niet anders dan de andere dagen.
De mensen ze verrichten
Dezelfde oude plichten.
Maar als ik naar de sterren kijk, dan moet ik vragen
Of niet van ver beschouwd ’t banaalste vraagt om dichten.

Brengt elke dag gelegenheid tot poëzie,
Vergeef me dan de zonde
Uw schoonheid niet te konden,
O leven, die ik weliswaar slechts zelden zie,
Maar die verborgen door het Al weeft, ongeschonden.

En als in alle dingen diep vanbinnen rust
Een goddelijke pracht
O, geef mij dan de kracht
Te weren wat de vuren in mijn ogen blust,
Te lezen ’t schrift dat aan de hemel staat bij nacht.

Toen zag ik duidelijk dat ik eigenlijk niet hou van gedichten waar een idee, een programma achter zit (maar het is een interessante vraag, of men in principe een gedicht kan schrijven op basis van een programma, zonder dat daar ook maar het minste inkruipt van wat een gedicht volgens mij wel goed maakt; anders gezegd, hoe gezocht een gedicht ook is, er is geen gedicht zonder dat de dichter iets gevonden heeft - in principe). Ik weet dat ik daar toen ook mee worstelde, maar kort gezegd, ik vond Blaming It All On Love van Kevin Ayers een zeer mooi nummer, en ik dacht dat ik de bal niet al te zeer mis zou kunnen slaan, als ik bepaalde gevoelens die ik in die tijd vaak had gewoon in rijmvorm op papier zou zetten, net zoals ik me voorstelde dat Kevin Ayers dat gedaan had. De tekst van Blaming I All On Love:

I guess I'm feeling old today
I can't get in the mood to play, oh no.
Feeling low.
And things have got to change, oh, yeah
'Cause there's no point and there's no use
In that tired old excuse
Of blaming it all on love.

Can't rely on anyone,
To show me how to have my fun, but me
And now I see
Clearer than before - and more
That it's a fool who lives too small
Beats his head against the wall
Yeah, blaming it all on love.

Looking at the world outside
I sometimes have to run and hide away
When I should stay,
And join in with the dance, oh yeah.
'Cause it's a crime and a disgrace
When I think of the time I waste
Blaming it all on love.

Andere ingrediënten van dat gedichtje waren gedichten van Albert Steffen en Elisabeth Eybers, en natuurlijk hoe ik toen dacht. Het komt nogal in de buurt van een cocktail van andere gedichten te zijn, maar er zat wel een minimum aan eigen inbreng in.
Maar om verder te gaan met wat ik aan het vertellen was, toen ik mijn verloren gewaande gedichtje las, begreep ik dat het probleem precies zat in het idee van een soort van volgorde: eerst heeft men gevoelens van die of die soort, vervolgens maakt men een gedicht dat die gevoelens moet uitdrukken. Ik ben nu van de mening dat dat niet de manier is waarop de echte gedichten ontstaan, ook niet dat van Kevin Ayers vermoed ik, en zeker niet die van Steffen, want die schrijft hier en daar wel eens iets over hoe zijn gedichten tot stand komen: niet zo.
Het was onvermijdelijk dat ik ook eens overliep hoe het met andere gedichten stond die ik ooit geschreven had. Het bleek dat die allemaal "gezonder" ter wereld gekomen waren. Zelfs dat ene gedicht dat er zo intellectualistisch uitzag, want al is het tien jaar geleden, ik herinner me nog goed hoe ik toen overvallen werd door een wolk van inspiratie, en dat dat gedicht als vanuit het niets in zijn volledige achtentwintig regels ineens op papier stond.
Kortom, één ding dat scheelde met mijn plan is me nu wel duidelijk. Maar al bij al is er eigenlijk ook helemaal geen probleem meer. Ik bedacht me nog een paar weken later dat het zowiezo te ambitieus was. Waar zou ik die nieuwe dingen vandaan halen? Ik kon ze toch moeilijk verzinnen. Ik kon ze toch alleen maar gebruiken voor een literair doel als ik ze zelf eerst gehad had. En om welke reden zou ik ze dan toekennen aan een hoofdpersoon. Ik kan wel dergelijke redenen bedenken, maar het lijkt me beter om de nieuwe dingen die ik ontdek allereerst zelf te koesteren. Niet om erin te zwelgen natuurlijk, want het lijkt me dat ik dan snel blind zou worden voor de ervaringen die nadien nog te ontdekken zouden zijn. Enkel om mijn ogen open te houden.
Tenslotte was het hele idee daar ook mee begonnen, met een wandeling die een ervaring bracht die in duidelijke taal zei: ik ben niet alleen mooi, ik ben er ook nog nooit geweest. Het idee om een boek te schrijven over zulke ervaringen is altijd daarvan afgeleid geweest. Het was een speelgoedje, maar ik heb er genoeg mee gespeeld en ik laat het hier achter. Misschien dat ik het ooit nog kan gebruiken op een nuttige manier die ik me nu nog niet kan voorstellen.

BB 5.

Blij dat ik door de negatieve zaken door ben.
Een geval tussenin is een herinnering die me, na er jaren en jaren niet meer aan gedacht te hebben, opeens weer voor de geest kwam te staan. Dit is de herinnering: het was in het atelier van de man die mijn eindwerk in de achtste klas ofwel het tweede middelbaar begeleidde. Dat eindwerk was het maken van een schaaktafeltje, en het wes dus een schrijnwerkersatelier. Midden onder het werk had ik plots een muzikale inval, en ik wou onmiddellijk het werk onderbreken om die op te schrijven zodat ik hem niet zou vergeten.
Met deze herinnering kwam ook de vraag of ik niet nog steeds een gelijkaardige mentaliteit heb: enerzijds van wachten op impulsen en anderzijds van niet loskomen van opkomende impulsen ookal zijn het er banale.

BB 4. Cynisme

De lach is ondermeer een zich boven iets stellen. Iets waarvan men het beperkte inziet. Iets waarvan men, door het verstand geleid, zou kunnen denken dat het belangrijk is, maar waarvan men dan inziet dat men er eigenlijk toch bovenstaat. (Vroeger, als ik over humor nadacht, wou ik dat nooit graag inzien. Ik had dat niet graag dat humor was wat het volgens Alexander Bain [<-- kijk eens wat een eruditie] was, namelijk zo iets met superioriteit en dingen naar beneden halen en niet vriendelijk zijn en zo.)
Maar om op cynisme te komen, ik denk dat er daar maar één gevaar aan is, en dat is het gevaar van het zoekraken van de lach zelf. Hetzij dat men niet meer lacht, dat men zich aanleert kunstmatig te lachen, of dat men gewoon het verschil tussen echt en vals niet meer kan onderscheiden. Het is zo'n beetje als het zoekraken van de echte smaak van een sigaret door het roken: ik wil zeker niet zeggen dat dat noodzakelijk gebeurt dat men zoveel begint te roken dat men de echte smaak niet meer kan herkennen, maar het gevaar is er wel.
Maar zeker in het geval van de lach, zou men daarmee een zeer belangrijk criterium kwijt zijn (om te ervaren dat het wel degelijk beperkt is, en dat men er wel degelijk boven staat).
Tags:

BB 3. Quest

Zowel bij de tandarts als bij de dokter lagen er nummers van een tijdschrift dat ik niet eerder had gezien, Quest magazine. Langs de ene kant lijkt het magazine te bestaan uit artikels die (misschien alleen een tikkeltje korter) hadden kunnen staan in het soort rubrieken dat je tegenwoordig in elke “kwaliteiskrant” kunt vinden, waarin ze u rond de oren slaan met recente studies van deze of gene Amerikaanse universiteit: de gezondheids- wetenschaps- of ego-rubriek. Langs de andere kant blijkt dat dan toch een interessante inhoudstafel op te leveren. Dat wil zeggen, de formule werkt, er staan altijd wel drie, vier, vijf artikels in zo een Quest die ik wel eens wil lezen omdat ik wel benieuwd ben wat ze te zeggen hebben over het onderwerp.
Over één artikel wil ik iets kwijt. In feite is wat ik kwijtwil zelfs iets dat een pak meer omvat dan dat wat er over dat ene artikel gezegd kan worden, maar dat artikel belichaamde wel uitzonderlijk goed dat meer omvattende waarover iets mij van het hart moet. Het ging over een onderzoek dat, bij wijze van afwisseling, aan de universiteit van Amsterdam was gevoerd. Het wou de lezer raad geven over de manier waarop men best beslissingen neemt. Uit het onderzoek bleek namelijk dat het relevant is of men zich bij verschillende soorten beslissingen meer door bewuste rationele argumenten of door onderbewuste motieven laat leiden. Meer bepaald: bij complexe beslissingen bleken testpersonen die gepoogd hadden op voorhand de pro en contra’s rationeel af te wegen minder tevreden met de beslissing die ze genomen hadden dan de personen die er niet over nagedacht hadden - en bij de minder complexe beslissingen was het omgekeerd. Uiteenzettingen over hoeveel verschillende elementen het korte termijn-geheugen tegelijk kon vasthouden en dergelijke ontbraken niet.
Het mooiste was het onderschrift bij het laatste plaatje van het artikel, iets als: “Wanneer je een moeilijke beslissing moet nemen, zoals welke auto je zal aanschaffen, denk je best niet teveel na. Los een kruiswoordraadsel op of ga een filmpje kijken en slaap er een nachtje over. Hoera! Je onderbewuste heeft de keuze voor jou genomen.” Natuurlijk was het iets anders dan hoe ik het hier weergeef. Ik zat maar vijf minuten in de wachtzaal. Maar er stond letterlijk “Hoera!”
Zoveel bezwaren hopen zich bij het lezen van een dergelijk misbaksel op, dat ik niet meer kan doen dan in het wilde weg snel enkele puntjes in de kolkende massa onderscheiden, en die dan achtereenvolgens proberen neer te schrijven.
1. Zo ver is het dan gekomen. Het best is het voor de mens terug te zinken in de genadige onmondigheid. Durf niet zelf te denken! (Zoals ik al zei, het artikel in Quest is niet meer dan een wel erg duidelijke formulering van iets dat men overal kan zien.)
2. Denk u een dramatisch pesonage in, bijvoorbeeld Antigone of de Cid (maar voor een werkelijk bestaand personage geldt net hetzelfde). De lulligheid van het denkbeeld dat zij hun beslissingen zouden hebben trachten te nemen door zo weinig mogelijk argumenten af te wegen is oneindig. Niet meer dan een klein eilandje in die eeuwige oneindigheid is het tijdperk van kruiswoordraadsels en “filmpjes”, een eilandje waarop je je een dergelijk denkbeeld voor de geest kan halen zonder in het niets op te lossen van pure onmogelijkheid.
3. En daarmee wil ik ook niet loochenen hoe belangrijk de krachten zijn die daar woelen in de diepte. Wat onze helden drijft (of ze nu werkelijk bestaan hebben of alleen in de dichterlijke verbeelding) ligt vaak ver onder de drempel van het bewustzijn. Maar het maakt wel degelijk een verschil of men deze onbewuste drijfveren met zijn bewustzijn aangrijpt of niet. Als de mensen op een bepaald moment hun bewustzijn alleen hadden gebruikt om oordelen te vellen over hun tevredenheid of ontevredenheid over de koetsen die ze zich aangeschaft hadden, dan was er nooit iemand geweest die de auto had uitgevonden. (Een beter voorbeeld was misschien de eenmaking van Italië vergeleken met de eenmaking van Europa?)
Dit is een moeilijk punt om bevredigend uit te leggen. Ik hoop dat dat mij op een later tijdstip eens zal lukken.
4. Omdat het artikel zich richtte tot de wetenschaps-enthousiastelingen en het uiteenzetten van de details van het psychologisch onderzoek niet schuwde, heb ik er een idee van hoe dat onderzoek in zijn werk is gegaan. Het lijkt erop dat de methode niet zo verschillend was van die van een psychologisch onderzoek waar ik eens aan deelgenomen heb. Dat onderzoek begon met een voorafgaande test die moest uitwijzen of mijn psyche wel voldoende gelijkenis vertoonde met de gemiddelde psyche. Om precies te zijn, ik moest naar plaatjes kijken van een stuk of vijf verschillende koekjes, die allemaal bepaalde kenmerken hadden. Die kenmerken waren naast het betreffende koekje opgesomd: bevat veel calorieën, bevat veel vet, is gezond, is duur,… Dan moest ik van elk koekje aangeven hoe waarschijnlijk het was dat ik het zou kopen, en dat uitgedrukt in procenten. Het echte onderzoek zou dan met die plaatjes andere dingen uithalen en proberen belangwekkende verbanden aan te tonen tussen mijn persoonlijke voorkeuren en (als ik het mij goed herinner) mijn reactiesnelheid (maar het kan ook iets anders geweest zijn). Maar tot dat echte onderzoek is het niet gekomen omdat de voorkeuren voor koekjes die ik had aangegeven niet overeenkwamen met de gemiddelde voorkeuren, of de gemiddelde voorkeuren die men verwachtte, en ik bijgevolg, daar het eigenlijke onderzoek met die gemiddelden rekende, geen geschikte proefpersoon was.
Tot iemand mij van het tegendeel overtuigt ben ik dus van mening dat dit onderzoek, als het tot conclusies heeft geleid, alleen maar tot conclusies heeft geleid die gelden voor de gemiddelde mens, en niet noodzakelijk voor mensen die zich boven of onder of links of rechts van het gemiddelde bevinden. En ik geloof dat het met het onderzoek van de universiteit van Amsterdam niet anders gesteld is. Maar dit betekent dat een held of een uitvinder of een anderszins grote persoonlijkheid alleen maar niet gemiddeld hoeft te zijn om volledig weggeredeneerd te worden in een dergelijk onderzoek.
5. Wat mij daarbij vooral tegenvalt is dat de mensen die geabonneerd zijn op Quest, waarschijnlijk de mensen zijn die het eerst roepen (voor x = homeopathie, psychoanalyse, creationisme,…): “Ik heb niks tegen x, zolang het maar niet pretendeert dat het wetenschappelijk is!”
Ik ga daar vooral niet verder over uitweiden, want dat doet me aan nog eens eens zoveel dingen denken, en geen constructieve. Zo is het wel genoeg.
Tags:

Feb. 18th, 2007

BB 2. Rokers sterven jonger

Voor wat het waard is, op een gegeven moment tijdens de blok schoot het mij door het hoofd dat de waarchuwingen op de sigarettenpakjes, naast andere effecten toch ook minstens één averechts effect hebben, namelijk dat het nu niet meer zo gemakkelijk gaat om van de ene dag op de andere te stoppen en u dan te beroepen op "mannelijke" karaktervastheid. Al het karaktervolle is ervan af. Ge kunt toch niet zomaar gaan zitten opscheppen dat ge geen dokter hebt geraadpleegd, of dat ge u niks hebt aangetrokken van de campagnes. Om te beginnen bekt dat niet lekker, veel minder lekker dan bijvoorbeeld "ik ben gestopt met roken, ik vond dat het genoeg was."

Feb. 16th, 2007

BB 1. Suggestie aan de B.R.T.

Veel te lang deze post, niet lezen! Kon veel korter.

Op 1 februari vond de grote draai uw licht vijf minuten uit-actie plaats. Nu schijnt het dat men in het nieuws daar iets over gezegd heeft, en dat daar dan ook bij opgemerkt werd dat het waarschijnlijk meer energie gekost heeft dat de mensen hun licht aan en uit gezet hebben, dan dat ze het vijf minuten uit hebben laten staan.
Wat is er toch dat dit soort opmerkingen zo graag gehoord maakt? Dat ze graag gehoord wordt, laat zich alleen al aantonen door het feit dat ik al verschillende keren heb horen opmerken dat het aan en uit schakelen van het licht veel energie kost, maar dat niemand mij daar meer uitleg over kon geven of zelfs maar met zekerheid kon zeggen dat het echt waar was. Blijkbaar is dat minder interessant, boeiend is alleen dat het uit- en terug aanschakelen van het licht meer energie kost dan het licht zelf. Of dit waar is of niet, het wordt verderverteld.
Maar het is geen alleenstaand voorbeeld. Interessant is ook dat men sweatshops niet mag boycotten door geen nikeproducten te kopen, omdat de uitgebuite derdewereldnaaisters dan hun inkomen verliezen. Interessant is ook dat seksueel misbruik vroeger even vaak voorkwam als nu, en nu alleen maar meer in de openbaarheid komt. Interessant is dat vegetariërs meer fruit en groenten en granen eten, en daardoor verantwoordelijk zijn voor een numeriek groter aantal gedode dieren, te weten bijvoorbeeld de insecten die in het graan leven. Enzovoort.
Voorbeelden van dingen die rondverteld worden zonder dat de rondvertellers er (desgevraagd) zo zeker van zijn, maar ze hebben een toch wel belangrijker kenmerk gemeen: eenvoudig gezegd, ze impliceren dat alles goed is zoals het is. Verder hoef ik dat niet uit te leggen want het lijkt me evident dat dat uit de voorbeelden blijkt. Het is goed zoals het is, en dat is interessant.

Afgezien van het feit dat het niet de bedoeling van de licht uit-actie was energie te besparen (het was in tegendeel de bedoeling de aandacht op het probleem van het energieverbruik te vestigen), valt de nieuwsdienst natuurlijk niets te verwijten. Wij hebben iets bijgeleerd dat waar is, of ik neem althans aan dat het inderdaad veel energie kost om het licht vijf minuten uit en dan terug aan te doen als ze het op het nieuws zeggen. En omdat het waar is, is het informatie, en informatie verstrekken is toch een zaak van het journaal, nietwaar.
Wat ze hadden kunnen doen is erbij zeggen hoeveel minuten ik het licht moet uitlaten voordat het opweegt tegen het uit- en aanschakelen. Dat zou nuttige informatie zijn, en – laat ik er geen doekjes meer om winden – interessantere informatie.
Tags:

blok

Het is nodig dat ik de blok van mij afschud. Ik vrees dat ik daartoe een hoop gedachten van mij moet afschudden die ik in de blok hier wou neerschijven, waar ik echter vanwege de tijdsdruk toen niet aan toekwam. Vooral de meer negatieve gedachten moeten er dringend uit, want nu sleep ik die mee omdat ik ooit van plan was ze op te schrijven, maar zolang ik dat niet gedaan heb zitten ze daar maar negatief te wezen in mijn hoofd.
Ik zal daarom beginnen met die negatieve gedachten.
Deze losse restjes uit de blok zal ik bb noemen, wat voor brokje uit de blok of blokbrokje kan staan, maar afgekort is om niet te veel nadruk te leggen op de slechte woordspeling.
Tags:

Jan. 28th, 2007

sympathie en antipathie

Dat is het punt waarop ik X. onsympathiek begin te vinden, wanneer hij zegt: "... dan zouden we onsterfelijk worden. Hoera! Hoera!" waarmee hij eigenlijk wil zeggen, dat alles wat het leven interessant kan maken niet duurzaam is.
Dat is niet goed, eigenlijk. Zeker niet omdat ik met hem te maken heb. Liefde zou daar een oplossing moeten bieden om boven de bewegingen van sympathie en antipathie uit te komen.

De Dijn

De Dijn: "Over de feiten zijn alle filosofen het eens. Denkt ge nu echt dat er ene zegt dat ge niet vrij zijt om dit of dat te doen in het feitelijke leven? Het zijn hun meningen die verschillen."
Dit is een uitspraak zoals een sjieke synthesiser. Het lijkt of je alle instrumenten in een instrument hebt verenigd, maar dan moet je erop beginnen spelen, en hoe je het ook aanpakt, of je nu het eerste knopje of het laatste uitprobeert, het lijkt altijd dat er aan het geluid iets ontbreekt - iets dat er moet zijn opdat het muziek zou zou zijn.
Eerste knopje: waarom is er dan überhaupt filosofie? Als we het toch eens zijn, dan verdoen we toch stellig onze tijd met daar verschillende meningen over te ontwerpen. Hier ontbreekt iets.
Tweede knopje: afhankelijk van welke filosofie men heeft, stelt men andere daden. Maar die daden staan ook niet volledig los van de wereld (ofte: dat waarover iedereen het eens is). Als men over de wereld zo denkt dat men een regenwoud omkapt, dan is dat omgekapte regenwoud een feit. Hier ontbreekt vanalles.
Derde knopje: het is precies toch ook niet waar, wat De Dijn zo stellig beweert. Neem nu het feit of er dino's bestaan hebben. Misschien bedoelde De Dijn: over de louter waar te nemen zaken is iedereen het eens, bijvoorbeeld over het been dat gevonden is en dat men in het natuurkundig museum kan gaan bekijken. Maar dan had hij duidelijker moeten zijn. Die duidelijkheid ontbreekt alleszins. - Of neem het cogito. Er is geen eensgezindheid over de vraag of dat een feit is. Descartes vindt van wel, Kant ook, zij het in een andere opvatting van het cogito, waar bijvoorbeeld Moors het mee eens is, maar het is de vraag of het dan nog een feit is. Fichte heeft nog een andere opvatting, net als Heidegger, net als Steiner. Bij Steiner is het wel duidelijk een objectief feit. Bij Fichte een soort van feit, dat niet in dezelfde zin wetenschappelijk kan genoemd worden als bij Steiner. Bij Hume is het duidelijk geen feit, maar er is wel overeenstemming tussen Hume en Burms en de Dijn.
En zo gaat het wat mij betreft door.

(Tegelijkertijd: ik krijg een heel nieuwe waardering voor De Dijn. Sommige voortreffelijkheden van de man zag ik voordien niet helemaal.)
Tags:

Jan. 25th, 2007

Eindigheidsfilosofie en Steiner

Je zou geneigd zijn te denken dat de filosofie van Duns Scotus eerder een eindigheidsfilosofie is dan die van Thomas. Maar je zou ook het omgekeerde kunnen verdedigen.
Misschien is het wel naast de kwestie om aan te duiden waar de grenzen van het met filosofie in kaart te brengen gebied liggen, en daar dan maar eens goed op te hameren (Scotus). Je kan Thomas toch ook zien als iemand die enkel in kaart bracht wat er filosofisch in kaart te brengen was, zonder te verlangen dat de filosofie verder zou kunnen gaan dan dat (hetgeen volgens deze zienswijze Scotus wel deed, maar waarvan hij dan ondervond dat het niet kon - waarin hij ook gelijk had).
Hoe het ook mag wezen, bij Steiner vindt men in ieder geval dit soort eindigheidsfilosofie: de filosofie kan over bijna alle dingen iets zeggen. Maar de filosofie, en ook geen andere rationele onderneming, kan geen dingen vervangen. Ze kan niet in de plaats komen staan van het religieuze gevoel om maar iets te zeggen.
Ik zou meer tijd moeten hebben om dit uit te schrijven. Waar ik wou beschrijven: dat men ook in deze tijd nog een realist (tegengesteld aan nominalist) kan zijn. Maar dat dan op een concrete manier, waar ik tot vandaag nog nooit aan gedacht had.

Jan. 24th, 2007

Galgenlieder

Ik las gisteren het korte nawoord in mijn uitgave van de Galgenlieder van Christian Morgenstern, waarin ondermeer de ontstaansgeschiedenis van deze gedichten wordt toegelicht. Als je daarbij iets van de biografie van Morgenstern weet, dan kan je toch niet anders besluiten dan dat hij een geboren dichter was (hetgeen nog bevestigd wordt door het feit dat vertalingen van de Galgenlieder wel gemaakt worden, maar in de regel nooit lukken).
Hoe kan het dan zijn dat mensen blijven beweren dat hij in de laatste jaren van zijn leven niet wist wat hij deed, of zich niet meer op een onvertroebelde manier door zichzelf liet leiden? En zelf dan nog. Dan nog zou het ongelooflijk zijn dat zijn dichtergaven hem in de steek gelaten hadden. (Hoewel ik mij een aantal tegenvoorbeelden kan voor de geest halen bij nader inzien.)

Previous 20