Nog eens, poëzie
Ik ben nu tot de conclusie gekomen dat het schijn is dat een dergelijke kunst iets met poëzie te maken heeft. Het beste is misschien dat ik eerst schets wat het zou willen zeggen als poëzie effectief niets te maken zou hebben met rijmsmeedkunst: niet in werkelijkheid en niet in de meningen van de mensen. Dan zou er geen poëzie zijn die op een of andere kunstmatige manier tot rijm of metrum gebracht was. Zou er dan ook geen poëzie zijn met rijm of metrum? Men kan geloven van wel of men kan geloven van niet. Hoe kan men geloven van wel? Door te geloven dat rijm en metrum ergens anders vandaan komen dan uit het knutselen van de dichter. Waar stel ik mij voor dat het dan wel vandaan zou komen (het zou in theorie ook van ergens anders kunnen kmen)? Van de geest van de taal, en van de andere geestelijke wezens. De dichter is dan iemand die niet knutselt maar spreekt, en wanneer hij gesproken heeft, kan het zijn dat hij merkt dat hij gesproken heeft in welgevormde verzen. Hij kan niet oefenen in het bijschaven van woorden, dat wil zeggen hij kan geen vaardigheid verwerven langs uiterlijke weg. Hij kan het wel langs innerlijke weg, namelijk door zelf te veranderen, door met veel oefening iemand te worden die juist niet zelf wil spreken, maar die eerbiedig het voorwerp zelf (waarover hij wil spreken) zijn woorden laat dicteren. Een voorwerp, daarmee bedoel ik een ding, geen materieel ding: het kan ook een gevoel zijn of een ander onzichtbaar ding.
Daarmee heb ik twee uitersten geschetst. Het eerste: poëzie is schaven aan woorden. Het tweede: poëzie is zo zuiver mogelijk uitspreken hoe de dingen in u zichzelf voelen. Ik heb ook geschetst hoe in beide gevallen rijm en metrum kunnen ontstaan, in het ene geval als dwang van de dichter, in het andere als geschenk aan de dichter. Het feit dat een gedicht rijmt wil dus niet zeggen dat het op de ene of de andere manier ontstaan is. Dat kan men uit de uiterlijkheden van het gedicht niet afleiden.
Nu kan ik ook zeggen zonder angst verkeerd begrepen te worden, dat ik geloof dat de tweede manier overeenkomt met het wezen van de poëzie, en de eerste overeenkomt met een schijnbeeld van de poëzie. Mijn gedicht waarover ik schreef op 19 februari is dus schijnpoëzie, behalve de tweede strofe die een klein beetje echte poëzie heeft. (Zoals ik toen ook al schreef, is het maar de vraag of er ooit iemand een gedicht heeft geschreven dat niet het kleinste vonkje van echte poëzie heeft.)
Nu een andere gedachte.
Als dichtkunst is wat ik net beschreven heb, is het een dubbele schijn dat dichters zouden dichten omdat ze erkenning verlangen. Opdat hij waarlijk zou kunnen dichten, moet de dichter imers alles afzweren waardoor hij het gedicht een product van zijn verdienste zou kunnen noemen. Van zijn toewijding, of van zijn innerlijke ontwikkeling, dat zou iets anders zijn, maar dat zijn geen dingen waarvoor men erkenning verlangt. (Erkenning is ook zoveel makkelijker te verkrijgen dan wat men zou moeten verwerven om een dichter te worden.) Omdat de dichter alles afzweert waardoor hij het gedicht zijn verdienste noemt, kan hij er geen erkenning voor willen. Hij kan alleen erkenning willen voor datgene dat het gedicht een goed gedicht heeft gemaakt. Maar dat heeft zich alleen in hem uitgesproken. Dat komt niet van hem.
